De magie van de ronde

Aan de hand van mijn oudere broertje Hans liep ik voor het eerst naar het parcours. Dat moet in 1965 geweest zijn. Er stonden nog weinig huizen en we liepen over het veldweggetje.

 Hans klemde het entreegeld in zijn vuist.

De bebouwde kom begon bij de Floralaan. Het geluid van de wielerronde waaide ons tegemoet.
Muziek. Het commentaar van de speaker: ‘Alo, alo.’

Dan kwam een stortvloed van woorden, die je niet verstond, doordat het geluid tot ons kwam uit een aantal, tamelijk ver van elkaar verwijderde luidsprekers. Door de vertraging zat er een vier- of vijfvoudige echo in de mededelingen. Zo ontstond een magisch geluid. Het Gregoriaans van microfonist Cor Wijdenes.

In de Smits van Oyenlaan zou Oom Wim ons opwachten. Hij was lid van de EHBO-vereniging en vandaag in functie. De grijze tas met het embleem van het Rode Kruis hing statig aan een riem om zijn schouder. Hij manoeuvreerde ons naar een veilig plekje, vlakbij de finish. We roken de massageolie op de benen van de voorbij flitsende renners.  

Een jongen uit Rotterdam won de sprint bij de nieuwelingen.
Interview door Wijdenes: ‘Toen je vanmorgen in de auto over de Moerdijkbrug reed, had je toen al gedacht dat je zou winnen?’ Die vraag maakte zoveel indruk – wielrenners kwamen van heel ver – dat we het antwoord niet eens hoorden.

Wijdenes ging verder: ‘Ceremonie protocolaire!’ Uit handen van de rondemiss kreeg de renner een in cellofaan verpakte bos bloemen. Vervolgens begon hij aan de
ereronde.

Het idee dat je gewoon coureur kon worden, lag toen nog ver in de toekomst. Meedoen aan wedstrijden leek niet voor ons weggelegd. Dat was meer iets voor anderen. Als je in Maarheeze een beetje muzikaal was, ging je bij fanfare de Poort van Brabant. Kon je aardig tegen een bal trappen, dan ging je bij Oranje-Zwart voetballen. Meer keuze was er niet in die dagen. Een echte racefiets leek ons sowieso onbetaalbaar.
We groeiden op en dankzij het vakantiewerk bij de Seven Up, konden we onze eerste renfietsen kopen. In de Oude Boom woonde de familie Van Gansewinkel. Jacques, Jos, Harrie, ze hadden allemaal gekoerst bij de ‘wilde bond’ in Limburg. Ze gaven ons alle moge-lijke adviezen. In 1971 stonden we voor het eerst met een rugnummer aan de startstreep voor onze eerste wedstrijd.

In 1973 stapten we over van de ‘wilde bond’ naar de officiële  Ko-ninklijke Nederlandse Wielren Unie. Het zag er naar uidat we voor het eerst zouden meedoen aan de ronde van Maarheeze. Maar helaas. De koers was op eerste Pinksterdag en diezelfde dag werd in Oudenbosch het provinciaal kampioenschap voor nieuwelingen gehouden. Daaraan moesten we verplicht deelnemen.

De volgende dag reden we in Mierlo-Hout. Het werd Hans’ eerste overwinning als nieuweling bij de KNWU. Interview met Cor Wijdenes. Wat zou hij vragen? We waren vanmorgen immers geen Moerdijkbrug gepasseerd.  

Wijdenes stelde geen vraag, maar plaatste een opmerking. Hij zei: ‘Wat jammer dat je gisteren niet kon starten voor eigen publiek in Maarheeze.’ Dat was veelbetekenend. Wijdenes, de man die ons had toegesproken via de echo’s van de luidsprekers langs het parcours, liet nu doorschemeren dat hij wel wist dat de magie van de ronde van Maarheeze ons had aangeraakt.

In 1974 konden we wèl meedoen in eigen dorp. Hans reed een van zijn eerste koersen bij de amateurs en eindigde keurig in het peloton. Ik werd achtste bij de nieuwelingen. Dat was voor mijn doen helemaal niet slecht.

Tien jaar later won jongere broer Jelle de ronde van Maarheeze voor amateurs. Voor ons de mooiste ceremonie protocolaire ooit.

Paul en ik hebben ook wel eens in eigen dorp gewonnen, maar dat was niet zo echt. Gewoon een wedstrijdje voor niet-licentiehou-ders op gewone fietsen. Dat was dorpsjeugd onder elkaar. Een serieuze ronde trekt ook renners van boven de Moerdijk.

Vorig jaar hebben we het ouderlijk huis ontruimd. Op zolder stonden nog altijd twee flinke dozen met bekers en medailles van de triomfen en podiumplaatsen van vooral Hans en Jelle. Beegden, Merum-Herten, Mierlo-Hout, Hilvarenbeek, Oosterwolde, de Pijl van Limburg, de Mijl van Mares, de Grand Prix General Patton in Bettumbourg, Voerendaal, le Flèche du Sud, Kampioen van de Kempen, het kwam allemaal in willekeurige volgorde voorbij.

‘Wat doen we met het eremetaal, jongens?’ Met pijn in ons hart ging alles bij het oud ijzer. Maar eerst viste Hans nog iets op uit de tweede doos. Hij hield het bekertje van mijn overwinning in Maarheeze op gewone fietsen voor zich: ‘Tja, wat denken jullie? Zullen we dit dan maar bewaren?’ Lachen.

Laatst zijn we weer eens ouderwets met ons vieren gaan trainen in de Franse Alpen. Toen we op de eerste dag weg fietsten uit Barcelonette een dorp in de buurt van Gap voor een lange rit met een 24 kilometer lange beklimming van de Col du de la Bonette Restefond (2808 meter), moedigde ik Hans, Jelle en Paul nog wat extra aan. Ik imiteerde de stem van Cor Wijdenes, met dat fraaie Noord-Hollandse accent: ‘Goede morgen, sportliefhebbers uit Maarheeze en van ver gekomen…’

Onmiddellijk vielen de anderen in: ‘Hartelijk welkom op dit zon-overgoten parcours, alwaar wij de wedstrijden zullen verrijden voor nieuwelingen, amateurs en professionals.’ De echo van de luidsprekers konden we er gemakkelijk bij den-ken. En uit de lavendelvelden steeg de geur van massageolie op. De magie van de ronde van Maarheeze was er nog altijd.